Eerder verschenen in Autisme Magazine 48.1 (2021): 8-11.

Eigenlijk zou ik schrijfster Lydia Rood (1957) bij haar thuis op het schiereiland Marken bezoeken. Met het oog op de coronamaatregelen besluiten we op het laatste moment dat videobellen verstandiger is, om na twee haperingen in de verbinding toch maar ouderwets te telefoneren. Aanleiding voor ons gesprek is Roods recent verschenen autobiografische jongerenroman Blauwtje (2020), na Survival (2015) en Niemands meisje (2017) het derde boek over haar alter ego Liesbeth. In de trilogie beschrijft Rood hoe Liesbeth zich staande probeert te houden in een groot gezin waarin haar ouders nauwelijks oog voor haar hebben.

Autisme speelt in de drie boeken een belangrijke rol. Liesbeths broertje en zusje zijn autistisch, en in Survival komt ze erachter dat haar moeder Hella het syndroom van Asperger heeft, waardoor ze langzamerhand meer begrip voor haar begint te krijgen. In de trilogie laat Rood zien wat voor impact het ongediagnosticeerde autisme van een ouder kan hebben op de verhoudingen binnen een gezin, en op de volwassenwording van een opgroeiend meisje in het bijzonder. Doordat haar emotionele behoeften onvervuld blijven, krijgt Liesbeth last van psychische problemen: ze snijdt in zichzelf, is opstandig en doet een zelfmoordpoging.

De vormen waarin Rood het coming-of-ageverhaal giet zijn al even weerbarstig als Liesbeth zelf. Waar Survival nog een traditioneel opgebouwde jongerenroman is, bestaat Niemands meisje voornamelijk uit verslagen van therapiesessies die Liesbeth ondergaat na haar zelfmoordpoging, en is Blauwtje een wirwar aan notities op servetjes en bierviltjes, mails, liedteksten en appgesprekken. Drie verschillende aanvliegroutes voor personages die vrijwel allemaal direct gebaseerd zijn op Rood zelf en haar familieleden en kennissen – reden temeer om haar te vragen naar de parallellen tussen fictie en werkelijkheid.

IJskastmoeders

Lydia Rood groeide op in het Gelderse Velp als oudste dochter in een gezin van zes kinderen – ‘Mijn moeder was heel vruchtbaar,’ zegt ze droogjes. Ze debuteerde begin jaren tachtig als schrijfster en koos na een paar jaar als journalist te hebben gewerkt in 1991 definitief voor het schrijverschap. In veertig jaar schreef ze een groot oeuvre bij elkaar, dat bestaat uit kinderboeken, romans, thrillers, erotische verhalen en non-fictie. Zelf weet ze niet precies hoeveel boeken ze heeft gepubliceerd: ‘120-plus’, schat ze.

Het boek Job
Prometheus 1994, 119 blz.
9053332413

Rood is een gevestigde naam in de (jeugd)literatuur, maar wellicht minder bekend is dat haar familie een belangrijke rol heeft gespeeld in de Nederlandse autisme-emancipatie. Het begon allemaal met haar broertje Job (1960), die al vroeg na zijn geboorte een diagnose kreeg. Zijn vroege diagnose was een uitzondering, schrijft ze in Het boek Job (1994), het innemende portret dat ze van hem maakte: de familie Rood woonde toevallig naast een psycholoog en een schoolarts, die het begrip autisme al lieten vallen toen Job een halfjaar oud was. Daarmee hadden ze geluk: in de vroege jaren zestig was er namelijk nog weinig bekend over autisme en dachten veel artsen dat het werd veroorzaakt door zogenaamde ‘ijskastmoeders’ – kille, gevoelsarme types die hun kinderen eigenlijk liever niet hadden gewild.

Het zou na die diagnose echter nog meer dan tien jaar duren voordat mensen als Job in Nederland op de politieke agenda kwamen. Vanaf 15 mei 1973 raakte de bewustwording over autisme in een stroomversnelling. Op die dag ging Koos Postema in het programma Een klein uur U in gesprek met deskundigen en ouders van autistische kinderen, waaronder de ouders van Kees Momma. Samen met Roods vader stonden de Momma’s in 1974 aan de basis van de Stichting ter Behartiging van de Belangen van Autistische Kinderen en hun Ouders (BBAKO). Hetzelfde jaar ontstond de Noordelijke Stichting Autisme, die in 1978 met de BBAKO opging in de NVA. 1974 was ook het jaar waarin het Leo Kannerhuis haar deuren opende, de eerste woonvoorziening voor mensen met autisme. Job Rood was een van de eersten die er terecht konden, en woont er anno 2021 nog steeds.

Een praatautist

Rood vertelt dat ze als puber ‘met rode oortjes’ meeluisterde als haar vader zat te vergaderen met de BBAKO-ouders. Zelf maakte ze haar eerste schrijf- en redactiemeters bij het ledenblad Engagement, de voorloper van Autisme Magazine. Jarenlang verzorgde ze de rubriek ‘In de gaten’, waarin ze verslag deed van de laatste ontwikkelingen op autismegebied – schrijfervaring die haar goed van pas toen ze zich aanmeldde bij de School voor de Journalistiek.

De beginjaren van de BBAKO vielen samen met het einde van het huwelijk tussen Roods vader Kees en moeder Anneke – ‘Ferdi’ en ‘Hella’ in de Liesbeth-trilogie. Kees was een excentrieke, kletserige leraar Nederlands – een ‘praatautist’ met narcistische trekken, aldus Rood. ‘Naar mij keek hij weinig om, in de wetenschap dat ik mezelf wel zou redden,’ zegt ze. ‘Maar in wezen had hij een klein hart,’ voegt ze eraan toe: hij was een van de drijvende krachten achter de BBAKO en nam zelfs leerlingen op in huis. Het was bij hen thuis tijdens de progressieve jaren zeventig ook nooit saai: de kinderen mochten veel en er werd regelmatig gefeest, gedronken en openlijk over seks gepraat.

Net als haar vader had Rood grote moeite met het volgzame en afstandelijke gedrag van haar moeder. Annekes manier van opvoeden was rechtlijnig en star, en aan troosten of knuffelen deed ze niet. Rood voelde zich miskend, verwaarloosd en onbegrepen: waarom leek Anneke haar niet te zien staan, en waarom kon ze nooit bij haar terecht als het tegenzat? Ze hield er evenals Liesbeth een schuldcomplex en suïcidale gedachten aan over: jarenlang droeg ze een scheermesje bij zich, voor het geval dat.

In de Liesbeth-romans probeert Ferdi Hella voortdurend uit de tent te lokken door in het bijzijn van hun kinderen provocerende opmerkingen te maken, waar ze echter nooit op ingaat. ‘Blenden,’ is Hella’s devies. ‘Opgaan in de achtergrond, dan ben je veilig.’ In het echt ging het ook zo, vertelt Rood. ‘Maar als wíj iets naars zeiden over Anneke, kregen we het van alle kanten. ‘Dat is míjn vriendin!,’ zei hij dan.’ Andersom bleef Anneke verknocht aan Kees, ook na de scheiding: tot haar dood stond zijn portret bij haar op tafel. Eens getrouwd, altijd getrouwd.

Het nootjesincident

Rood is in de Liesbeth-trilogie dicht bij haar eigen biografie gebleven, besef ik na een uur telefoneren. Maar waar Liesbeth al in haar tienerjaren realiseert dat haar moeder autistisch is, ontdekte Rood dat zelf pas toen ze vierenvijftig was.

De omslag kwam na een aanvaring op het verjaardagsfeestje van Anneke, waarvoor haar moeder speciaal voor een van Roods vier broers cashewnootjes had gekocht. Toen Rood zei dat ze er ook wel een paar lustte, wees Anneke haar resoluut af: nee, de nootjes waren alléén voor haar broer. Dat de broer in kwestie niet kwam opdagen deed daar niets aan af.

Rood was met stomheid geslagen. ‘Dit wéét je toch? Kom dan niet!,’ beet haar zus haar toe. Met haar man en dochter in haar kielzog verliet Rood huilend het feestje.

In de auto terug naar huis kwam haar dochter met een suggestie. Op internet was ze een checklist voor autisme tegengekomen – zou Anneke misschien het syndroom van Asperger kunnen hebben? Die suggestie bleek dé verklaring voor het ‘dit’ wat Rood eigenlijk altijd al wist, maar waar ze tot dan toe geen naam voor had. Na meer dan een halve eeuw onbegrip voelde het besef als een bevrijding: ‘Alle dingen die er mis waren gegaan in mijn jeugd vielen op hun plek. Het was níét mijn moeders schuld, en vooral: het was niet míjn schuld.’

Een on-me-te-lijk lieve ziel

Van een officiële diagnose is het nooit gekomen omdat Anneke begon te dementeren. Rood liep al langer met het idee rond om haar moeilijke jeugd te verliteraturen, maar durfde er pas werk van te maken toen haar moeder ziek werd. Het symbolische einde van het toenaderingsproces dat met het nootjesincident werd ingezet kwam in 2018, kort nadat Anneke overleed. Toen Rood de boekenkast van haar moeder uitruimde, stuitte ze op een briefje in een van haar eigen boeken, waarin Anneke schreef dat ze wel degelijk veel om haar dochter gaf, maar het nooit zo had kunnen uiten. ‘Die brief maakte al het leed goed,’ mailt Rood me later. ‘Aan liefde schortte het toch uiteindelijk niet en dus smolt het laatste restje rancune weg.’ Anneke was, om Ferdi te citeren, ‘een on-me-te-lijk lieve ziel’, bewust van haar onvermogen, maar absoluut geen ‘ijskastmoeder’.

Rood noemde Het boek Job een ‘liefdesverklaring’. Op mijn vraag of de Liesbeth-trilogie dat ook is, antwoordt ze na enig aarzelen bevestigend. De confrontatie met haar verleden was zwaar, maar het schrijven had een therapeutisch effect: ‘Ik deuk een beetje uit,’ gniffelt ze. 

Zelf mag ze dan inmiddels zo goed als uitgedeukt zijn, het verhaal van Liesbeth is nog niet af. Een vierde boek is in de maak – ditmaal geen boek óver, maar ván Liesbeth. Dat ook zij maar uit mag deuken.