Eerdere versies van dit artikel zijn verschenen in het Wetenschappelijk Tijdschrift Autisme 19.4 (2020): 46-58 en het Wetenschappelijk Tijdschrift Autisme 20.1 (2021): 54-63. Met dank aan het Regionaal Archief Nijmegen, Annemieke van Drenth, Rogier Chorus en de familie van Siem.

De smid en zijn vrouw wisten niet wat ze met hem aan moesten. Het leek onmogelijk om contact te krijgen met hun vierjarige zoon Siem. Het jongetje praatte zelden, maakte geen oogcontact en had amper aandacht voor andere mensen. Siem leek het gelukkigst als hij ongestoord urenlang telkens maar weer hetzelfde kon doen. Routines waren heilig voor hem: waagde iemand om hem in zijn spel te storen of van zijn script af te wijken, dan begon hij te krijsen en te stampvoeten. Zijn ouders waren voor hem slechts hindernissen of hulpmiddelen: als hij iets wilde hebben, leidde hij de hand van zijn vader of moeder naar het object in plaats van erom te vragen.1 Van knuffelen hield hij niet en als hij blij of boos was, fladderde hij uitbundig met zijn armen.

Siems huisarts in het Brabantse dorpje Sambeek dacht dat hij een ‘idioot’ was, maar daar waren zijn ouders het niet mee eens. Hun zoontje was wel degelijk intelligent, alleen wat al te eigengereid. ‘Hij heeft een eigen wil,’ meende zijn vader.2

We schrijven 1936, crisistijd. Bij gebrek aan specialistische kennis was het tot het begin van de twintigste eeuw gebruikelijk om ouders van ‘probleemkinderen’ af te schepen met opvoedkundig advies of hun kroost op te laten nemen in een zwakzinnigeninrichting.3 Dat jaar was er in de buurt van Siems woonplaats Sambeek echter net een zorginstelling geopend voor kinderen als Siem. Zo kwam hij in oktober 1936 aan bij het Paedologisch Instituut (PI) in Nijmegen, waar hij acht jaar zou blijven.

Het gedrag van Siem stelde de stafleden van het PI aanvankelijk voor een raadsel. In ieder geval was Siem absoluut niet zwakzinnig, merkte pedagoge zuster Gaudia, de religieuze naam van Ida Frye (1909-2003). Siem bleek later zelfs een IQ van 119 te hebben.4 De destijds modieuze diagnose kinderschizofrenie paste hem ook niet. Geneesheer-directeur Ton Meyknecht (1902-1990) schreef dat het de staf van meet af aan duidelijk was dat ze met een aangeboren syndroom te maken hadden, gekenmerkt door een sterke behoefte aan voorspelbaarheid en grote moeite met sociaal contact.5 Het was alleen nog zoeken naar een goede naam. Volgens psycholoog Alfons Chorus (1909-1998) kwam bij de staf op een gegeven moment een term van Eugen Bleuler bovendrijven.6

Hun oordeel: Siem was autistisch.

‘(Intelligente) autist met stereotiep gedrag’

De term ‘autist’ als typering voor kinderen met een aangeboren ontwikkelingsstoornis dook in Nederland voor het eerst op in de jaarverslagen van het PI. Het verslag van 1938 vermeldt bij de categorie ‘gedrags-schematiseering’ onder het kopje ‘formalisten’ een ‘(Intelligente) autist met stereotiep gedrag’.7 Het jaar daarop herzag de staf de classificatie: dit keer vormden de ‘autisten’ een aparte categorie.

De stafleden van het PI hebben internationaal amper erkenning gekregen, ook al lijken hun observaties veel op de beschrijvingen die Leo Kanner en Hans Asperger rond dezelfde tijd publiceerden. Ze komen niet voor in Engelstalige autismegeschiedenissen8 en ook in eigen land is maar weinig over hen geschreven.9 Dat is zowel uit historisch als uit chauvinistisch oogpunt jammer, want de eerste Nederlandse autisme-onderzoekers deden pionierswerk waarmee ze in enkele opzichten zelfs op hun Engels-Amerikaanse collega’s vooruitliepen.

Het brein achter het Nijmeegse PI was psycholoog Theo Rutten (1899-1980), hoogleraar psychologie aan de Katholieke Universiteit Nijmegen (kun). Al vanaf de late jaren twintig liep hij met plannen rond voor een katholiek instituut voor ‘geestelijk misdeelde kinderen’ waar medewerkers en studenten van de kun praktijkervaring op konden doen. In mei 1930 richtte Rutten een comité op dat het Paedologisch Instituut zou moeten realiseren. Het comité sprak de ambitie uit om een ‘wetenschappelijk centrum voor heel onze sociale zorg met betrekking tot het geestelijk abnormale kind’ te creëren dat ‘in de frontlinie van de wetenschap’ zou komen te staan.10 Het Paedologisch Instituut moest een observatie-inrichting annex wetenschappelijk laboratorium worden, waar vierentwintig kinderen maximaal drie maanden konden blijven.

Om het PI van de grond te krijgen, benaderde het comité twee congregaties: de Broeders van Liefde uit Gent en de Dochters van Maria en Joseph uit Den Bosch, beter bekend als ‘de Zusters van de Choorstraat’. Met name de zusters hadden veel ervaring met speciaal onderwijs: ze beheerden onder meer een doveninstituut in Sint-Michielsgestel en Huize Sint Vincentius in Udenhout, een internaat voor meisjes met een verstandelijke beperking. Het comité vroeg de congregaties om grond te kopen, de gebouwen van het PI te financieren en personeel te leveren. Nadat de onderhandelingen met de Broeders spaak liepen omdat ze de financiering niet rond konden krijgen, gaf de bisschop van Den Bosch de zusters toestemming om ook jongens les te geven.11

Eind 1931 kochten de zusters een stuk grond op een heuvel in het Hengstdal, op de grens van Nijmegen in de gemeente Ubbergen. Ook vergoedden ze de studiereizen die Rutten dat jaar maakte naar kinderklinieken in Duitsland, Oostenrijk, Scandinavië en Engeland.12 Als tegenprestatie eisten ze van het bestuur dat er naast het PI een revalidatiekliniek zou worden gebouwd, de huidige Sint Maartenskliniek. De zusters schatten in dat het PI een grote kostenpost zou worden en hoopten met de kliniek dat financiële verlies op te kunnen vangen. Daarnaast hadden ze gemerkt dat bij veel kinderen lichamelijke en geestelijke problemen hand in hand gingen, waardoor het wel zo handig was om zo’n kliniek in de buurt te hebben.13

In 1936 waren de gebouwen klaar. Zes jaar nadat Rutten het comité had opgericht en zo’n tien jaar nadat bij hem het plan voor het PI was ontstaan, werd zijn droom werkelijkheid. Op 11 augustus 1936 kwamen de eerste kinderen aan.

Niet-loonend en hopeloos

Het duurde echter nog tot 1938 voor de observatie van de kinderen kon beginnen. De oorzaak van die vertraging was een conflict tussen de bestuurs- en personeelsleden van het PI en Driek van der Sterren (1904-1974), de psychiater van het Amsterdamse Wilhelminagasthuis die in 1934 tot geneesheer-directeur was benoemd. Van der Sterren was een aanhanger van de psychoanalyse, destijds een controversiële behandelmethode in katholieke kringen. Kort na zijn benoeming stuurde het bestuur hem ter voorbereiding op zijn werk aan het PI op studiereis, die wederom werd gefinancierd door de Zusters van de Choorstraat. Het was de bedoeling dat hij een jaar lang zo veel mogelijk inzichten en ervaring op zou doen door in verschillende landen stage te lopen. Van der Sterren bracht de tijd echter uitsluitend door in het psychoanalysewalhalla Wenen en weigerde om weer naar Nederland te komen, ondanks herhaaldelijke verzoeken van het bestuur.

Bij terugkomst waren de verhoudingen gespannen. Van der Sterren had zich in Wenen tot ergernis van het bestuur ontpopt tot een fanatieke freudiaan die alles tot seks reduceerde. Hij beschouwde het PI daarnaast hoofdzakelijk als een therapeutische inrichting waar hij kinderen aan de psychoanalyse kon onderwerpen, en niet als een observatiehuis met consultatiebureau, zoals het bestuur voor ogen had. Rutten weigerde algauw om vergaderingen met Van der Sterren bij te wonen en ook de andere bestuursleden wilden het liefst van hem af.14

Alfons Chorus

Om tegenwicht aan Van der Sterren te kunnen bieden, benoemde het bestuur Alfons Chorus tot assistent-psycholoog. Chorus was een criticus van de psychoanalyse en een leerling van Rutten, bij wie hij in 1940 promoveerde op een proefschrift over ‘ongedurige kinderen’ (ADHD’ers avant la lettre). Rutten en Chorus hadden veel met elkaar gemeen: beiden waren Limburgers die bestemd waren voor het priesterschap, maar hun opleiding afbraken en na een omweg besloten psychologie te studeren. Naast liefde voor literatuur en filosofie deelde Chorus Ruttens praktische instelling en engagement: jarenlang combineerde hij zijn werk met allerlei redacteurschappen en bestuursfuncties bij maatschappelijke organisaties. Chorus werkte van 1936 tot 1945 op het PI en maakte daarna carrière in de wetenschap. In 1947 benoemde de van oudsher protestantse universiteit van Leiden de katholieke Chorus tot hoogleraar psychologie.

Dat het PI-bestuur nog geen halfjaar na de oprichting Van der Sterren ontsloeg, kwam voornamelijk door Chorus’ collega, zuster Gaudia. Frye’s ouders kwamen oorspronkelijk uit Duitsland en verhuisden toen ze een half jaar oud was naar Amsterdam. Van haar ouders erfde ze hun intellectuele nieuwsgierigheid en leeshonger. De boekenwurm Frye wilde eigenlijk naar het gymnasium, maar haar moeder verplichtte haar een pedagogische opleiding te volgen. Hoewel de familie niet streng katholiek was, voelde Frye zich in haar tienerjaren aangetrokken tot het kloosterleven. Na wat aarzelingen meldde ze zich in 1927 aan bij de Zusters van de Choorstraat, waar ze in 1932 haar kloostergeloften aflegde. Ze kreeg de naam ‘zuster Gaudia’ en specialiseerde zich in het speciaal onderwijs en de zorg voor probleemkinderen.Gaudia vond het moeilijk om haar intellectuele interesses te rijmen met de discipline van het nonnenleven, wat haar naarmate ze ouder werd steeds zwaarder viel. Door de jaren heen bleef ze zich voortdurend bijscholen, onder andere door Ruttens colleges aan de kun bij te wonen. Ze had regelmatig te kampen met seksistische tegenwind en studeerde en promoveerde pas op latere leeftijd. Desalniettemin groeide ze tussen de jaren dertig en vijftig uit tot een autoriteit op het gebied van de ‘heilpedagogiek’, een op katholieke principes gebaseerde variant van de orthopedagogiek.

Zuster Gaudia gruwde van meet af aan van Van der Sterrens psychoanalytische trechtervisie. Hij joeg ouders op de kast door hen impertinente vragen over hun seksleven te stellen en duidde al het gedrag van hun kinderen als stiekeme uitingen van seksuele lust. Nog erger dan dat soort gedachtekronkels vond Gaudia dat Van der Sterren niet alle kinderen aandacht gaf. Zijn psychoanalyses namen te veel tijd in beslag, waardoor hij aan minder dan een kwart van de pi-kinderen toekwam. Gaudia en Chorus verschilden ook van mening met Van der Sterren over wie er konden worden opgenomen. Hij had er een handje van om veel te snel kinderen als ‘niet-loonend’ en ‘hopeloos’ af te schrijven, schreef Gaudia in een nijdige brief aan het stichtingsbestuur van het PI.15

De situatie werd dermate onhoudbaar dat het bestuur zich ertoe gedwongen zag om Van der Sterren te ontslaan. Van der Sterrens vervanger was Ton Meyknecht, die tot zijn pensioen geneesheer-directeur bleef. Meyknecht was ook een aanhanger van de psychoanalyse, maar legde veel minder de nadruk op seksualiteit dan Van der Sterren. Ook had hij van meet af aan een goede band met Chorus en Gaudia, die hij ondanks zijn betere academische kwalificaties als gelijken behandelde.

Het PI was verlost van het blok aan het been en voorzien van een geschikte nieuwe directeur. Inmiddels was het 1938. De observatie en behandeling van de kinderen kon eindelijk beginnen.

De autistologe

De drie stafleden overlegden in de begintijd wekelijks met Rutten over de voortgang van de kinderen. Ieder had zijn eigen taak: Meyknecht was verantwoordelijk voor het lichamelijk onderzoek en de medische gegevens van de kinderen, Gaudia observeerde ze op de slaapzaal en het schooltje van het PI en Chorus nam de pedagogische tests af.

Uit het archief van het PI blijkt dat Gaudia een sleutelrol vervulde en een kolossaal takenpakket had: ze was adjunct-directeur, pedagoge, schoolhoofd, leider van het kinderhuis, personeelschef en maakte de roosters en behandelplannen – een heel karwei, aangezien alle kinderen een individuele behandeling kregen. Daarnaast was ze het uithangbord van het PI, zoals blijkt uit een enthousiast artikel dat een journalist van het katholieke dagblad De Tijd in de vroege jaren vijftig aan haar wijdde:

Wie Zuster Gaudia zegt, zegt: Paedologisch Instituut. Wie Paedologisch Instituut zegt, zegt: Zuster Gaudia. Zij is er de bezielende, de stimulerende, de explorerende, de “centrale” (…). Alles draait om Zuster Gaudia. Natuurlijk wordt ze even weggeroepen terwijl we zitten te praten. Maar ze maakt de kwestie snel in orde en als een wervelwind is ze weer terug. Ze moet haar zaken wel op een heel bijzondere wijze overzien.16

De journalist beschreef Gaudia als ‘de schakel tussen theorie en praktijk, tussen de wetenschap en de werkelijkheid van het leven’ en een ‘in wetenschappelijke kringen zeer geapprecieerde figuur’. Gaudia was iemand met een ‘vurige interesse en stralende levenslust, die ze mededeelt aan wie haar ontmoet’ bij wie ‘het lijkt alsof ze altijd ergens pleizier [sic] over heeft’. Hoewel ze soms streng kon zijn, was ze een geliefde pedagoog: ‘De gezichtjes van de kinderen, die, om te genezen, bij haar “logeren”, soms weken, soms jaren, verhelderen altijd als ze haar tegenkomen.’17

Ook haar collega’s prezen haar ‘onvermoeibare en creatieve werkkracht’ en ‘baanbrekend werk’ op het gebied van de psychotherapie.18 pi-pedagoog J.F.W. ‘Ko’ Kok (1929-2019) noemde haar in een brief ‘de moeder van de orthopedagogiek’ en ‘de autistologe bij uitstek’.19 Net als de journalist van De Tijd was hij lyrisch over haar:

Meer dan je kennis spraken tot ons je sterke persoonlijkheid en je wijze van psychotherapeutisch en orthopedagogisch handelen. Bijzonder begaafd toonde je jezelf in de diagnostiek van probleemkinderen, zowel wat betreft hun behoefte aan een type specifiek opvoeden, als hun behoefte aan de individuele verfijning daarvan. Onder elkaar zeiden we wel: “Ze hoeft maar een kwartier aan een kind te ruiken en ze weet het”. In het genoemde handelen was je een unicum en je tijd vooruit. Wat je in therapieën en individuele pedagogische contacten demonstreerde en in de begeleiding van de werkers realiseerde, wekte verbazing én verademing. (…) In jouw praktijk was [opvoeden] geen vormen naar een gewenst beeld, maar het schenken van kansen aan de ander om zichzelf te worden.20

Op het PI baseerden Gaudia en haar collega’s de behandeling op de individuele behoeften, sterktes en zwaktes van de kinderen. Door hun dagelijkse doen en laten nauwgezet te observeren, probeerden ze een behandelplan op te stellen dat daar het best op aan zou sluiten. Een belangrijk hulpmiddel was de speelkamer, die was voorzien van een ‘one-way screen’, een scherm waar maar aan een kant doorheen viel te kijken. ‘Menig raadsel betreffende het gedrag of de gewoonten van een kind, waarin de observatie in het dagverblijf geen oplossing vermocht te brengen, kwam in de speelkamer tot helderheid,’ vermeldt het jaarverslag. In de speelkamer waren ‘de kinderen doende zonder eenige voor hen merkbare controle’, wat de medewerkers in staat stelde om ‘ieder kind zoo alzijdig mogelijk te leeren kennen’.21

Het PI en de Sint Maartenskliniek werden door de holistische begeleiding van de kinderen internationaal bekend. De instellingen kregen bezoek van medici uit Europa, de VS en landen als Haïti, Australië, Egypte, Pakistan en Vietnam, en van hoogwaardigheidsbekleders als premier Willem Drees, veldmaarschalk Bernard Montgomery en prinses Juliana. Hare majesteit was onder de indruk van de instellingen en was het met de staf eens dat ze flink moesten worden uitgebreid.22

Dat was hard nodig, want het PI was in de oorlogsjaren veranderd van een observatiehuis in een overbevolkt behandelinstituut. Eigenlijk was het de bedoeling dat de observatieperiode van de kinderen maximaal drie maanden zou duren. Aan het eind daarvan zou de staf behandelingsadvies geven aan de ouders en familie, meestal een doorverwijzing naar een speciale school of internaat. Het PI was echter het enige katholieke instituut van zijn soort en omdat de staf en het bestuur kinderen niet naar huis of een zwakzinnigeninrichting wilden sturen, besloten ze hen langer op te nemen. Het gevolg was dat het instituut nauwelijks aan de vraag kon voldoen en de medewerkers overbezet raakten: in 1941 woonden er ongeveer dertig kinderen, vijf jaar later rond de tachtig.23

Schijndomheid

Gaudia stelde zich als hoofdpedagoge tegenover de kinderen zowel streng als liefdevol op. ‘Het contact met de andere mens moet zoveel mogelijk aangenaam zijn,’ schreef ze. ‘Degene die rustig-welwillend-consequent tegenover hen staat, heeft blijkbaar een bevrijdende invloed. Wie consequent is, zonder hard te zijn, heeft het beste contact van het kind uit.’24 Een warme omgeving liet zich volgens haar ‘goed verenigen met een strenge houding’.25 In haar ogen diende de pedagoog ‘vindingrijk’ te zijn en ‘een groot gevoel voor humor’ te koppelen aan ‘een taaie vasthoudendheid’.26 Op pedagogisch gebied ging Gaudia naar eigen zeggen ‘ad hoc en improviserend’ te werk en at ze ‘van alle walletjes mee’.27

Hoewel Gaudia haar pupillen kort hield, heerste er volgens de jaarverslagen ‘een huiselijke spheer’ op het kinderhuis van het PI. Het bestuur en de medewerkers streefden ernaar alles te vermijden ‘wat maar eenigszins naar kostschool-gebruiken zou zweemen: zwijgen op gangen en trappen bestaat niet, er wordt niet met een bel gewekt, onder het opstaan praten ze, enz’.28 De pedagogen gebruikten allerlei methodes om de lichamelijke gezondheid en sociale vaardigheden van de kinderen te verbeteren, zoals logopedie, speltherapie, tempo- en concentratieoefeningen, schrijven op muziek, schilderen, motorische training en rollenspellen. De oudere jongens mochten van de zusters zelfs schoffelen in de gemeenschappelijke tuin. Ieder autistisch kind had een begeleider die met hem of haar wandelde, de stad in trok of mee ging op familiebezoek.

De staf vond het verstandig om de behandeling van de autisten zo vroeg mogelijk te laten beginnen en tot de puberteit voort te laten duren, zodat ze niet terug zouden vallen in hun ontwikkeling. Gaudia meende dat de autisten overmatig waren gefixeerd op het eigen lichaam, wat verklaarde waarom ze zo in zichzelf gekeerd waren en zich verzetten tegen veranderingen. Het kwam er voor de PI-pedagogen dan ook op aan om ‘met liefdevolle, vaste hand’ de kinderen te helpen zich ‘uit de gevangenschap van hun eigen lichaam te bevrijden’.29

Volgens Gaudia was het grootste probleem van de autisten hun zogenaamde ‘formalisme’: de overmatige behoefte aan vaste routines en rituelen. Pedagogen als Hans Asperger probeerden het formalisme naar hun hand te zetten door kinderen onpersoonlijke bevelen te geven, waardoor ze zich steeds meer sociale scripts eigen zouden maken.30 Gaudia wilde het juist doorbreken zodat de kinderen leerden omgaan met hun emoties en onverwachte veranderingen.31 Om hen te ontregelen verzetten de pi-pedagogen regelmatig de bedden en wijzigden ze de lesroosters en etenstijden. De autisten vonden dat uiteraard maar niks: één jongetje raakte zo van slag dat de etenstijd was verschoven naar het moment waarop hij doorgaans naar de wc ging dat hij dagenlang met een volgepoepte broek rondliep.32

In het onderwijs probeerden de staf en pedagogen in te spelen op de unieke kwaliteiten en interesses van de autisten. Gaudia, Chorus en Meyknecht viel al snel op dat de autisten in de meeste gevallen niet zwakzinnig waren en soms bijzondere splintervaardigheden hadden. Dat bestaande intelligentietesten en pedagogische methodes tekortschoten om de vermogens van de autisten te meten, blijkt uit twee radiolezingen die Chorus in 1940 hield over het thema ‘schijndomheid’. Daarin beschreef hij de ontvangst op het PI van de eerdergenoemde Siem, die volgens zijn huisarts idioot was. Dat leek echter maar zo, zei Chorus:

Als een stenen beeldje stond het kereltje in mijn kamer – alleen zijn ogen draaiden rond in alle richtingen. Er viel met geen mogelijkheid uit te maken of hij érgens naar keek. Maar na enige minuten was het eerste teken van intelligentie reeds bij hem ontdekt. Ging ik recht vóór hem staan dan keek hij links van mij – ging ik links staan dan keek hij rechts en zo verder. Het kijken van dien [sic] jongen was dus (…) intelligent: hij wilde mij niet zien. En er is geestkracht voor nodig om aan iemand voorbij te kijken. In het verdere onderzoek bleek dan ook dat de jongen vrijwel normaal intelligent moest zijn. (…) Deze jongen was dus niet idioot; hij was alleen in hoge mate schijndom. Door een eigenaardige moeilijkheid konden zijn capaciteiten niet op gewone wijze tot uiting komen. Toepassing van speciale methoden maakte de geest wakker in dezen knaap. Een schijndomme maakt uiterlijk dus een veel dommere indruk dan nodig is; het schijndomme kind hééft capaciteiten, maar ze komen niet aan het daglicht. Het is ermee als met een man, die in lompen gekleed loopt en toch een hoop geld op zak heeft. De schijndomme bezit ook een vermogen, maar men merkt er niet veel van: zijn fortuin gaat verborgen onder geestelijke lompen.33

Naast Siem noemde Chorus nog een paar voorbeelden van schijndomme jongens die door het gebrekkige taxatievermogen van hun familie en leraren achterbleven op school. De twaalfjarige Frits was volgens zijn ouders ‘lief en goed van karakter’, maar had weinig zelfvertrouwen en veel moeite met leren. Door zijn gebrekkige gezondheid was hij blijven zitten en sindsdien ging het steeds slechter met hem. Op intelligentietests scoorde Frits onder de middelmaat: hij had geen logisch denkvermogen en het ontbrak hem aan ‘geestelijke spontaniteit en bewegelijkheid’.34 Doordat hij het tempo op school tot zijn frustratie niet langer kon bijbenen, veranderde hij in een vervelend, passief-agressief lastpakje: ‘Langzaam ziet hij zijn moed glippen – waarschijnlijk slechts ten dele bewust. Als reactie krijgt men nu: zijn kwasie-onverschilligheid voor schoolkennis, zijn schouderophalen en zijn smalend lachje’.35 Frits had ondanks deze ‘onder-normale verstandelijke begaafdheid’ en ‘kwasie-onverschilligheid’ een fenomenaal geheugen, met name voor geboortedata en plaatsnamen. Zodra iemand deze onderwerpen aansneed, kreeg de eerder zo dwarse jongen de geest:

[W]ég zijn die kwasie-onverschilligheden zodra er beroep gedaan wordt op zijn geheugen: hij vliegt langs de hoofdsteden van alle landen van Europa, maakt een bliksemreis per trein en per boot van Arnemuiden naar Delfzijl. Dan fleurt hij op en geeft vlotte en prompte antwoorden: dan put hij immers uit zijn geheugen, uit wat hij geleerd heeft en opgestapeld heeft in zijn herinnering. Dan heeft hij weer het gevoel dat hij het kán, dán heeft hij geen masker meer nodig. Het is duidelijk: deze jongen heeft een onjuiste houding ingenomen t.o.v. zijn capaciteiten.36

Wat Chorus hier beschrijft staat tegenwoordig bekend als een ‘disharmonisch intelligentieprofiel’. Omdat Frits’ geheugen en taalvaardigheid (verbale IQ) sterk was ontwikkeld, schatte zijn omgeving hem hoog in. Zodra echter bleek dat hij moeite had om kennis toe te passen (performale IQ), verloor hij zijn zelfvertrouwen en begon hij achter te lopen. Door jarenlang met zijn geheugen en parate kennis te (over)compenseren, wist Frits zich te redden op school, maar hoe ouder hij werd, des te meer de intellectuele verschillen met zijn leeftijdsgenootjes aan de oppervlakte kwamen. ‘Zijn opvoeding zal er een moeten zijn tot een zakelijke instelling tegenover zijn kunnen,’ concludeerde Chorus.37

Als laatste besprak Chorus Gerard, de ‘(Intelligente) autist met stereotiep gedrag’ uit het jaarverslag van het PI, aan wie hij naast deze radiolezing enkele artikelen wijdde in het blad Katholieke Gezondheidszorg.38 Gerard was een paar keer achter elkaar blijven zitten en was thuis zo ‘leugenachtig, stiekum, opvliegend [en] brutaal’ dat zijn ouders besloten hem naar het PI te sturen.39 Daar bleek dat Gerard helemaal geen domme jongen was. Zijn slechte schoolprestaties en onhandelbare gedrag waren een reactie op zijn strenge opvoeding, die volgens Chorus ‘knakkend werkte’:

Op alle inperkingen en de honderden vermaningen van elken dag had Gerard gereageerd met zijn stiekeme, laffe methode van zijdelingsen aanval. Hij had zich teruggetrokken op zichzelf, deed alles om zijn ouders te treiteren en toonde naar buiten een zelfverzekerde, oudemannetjesachtige manier van doen. Alle echte spontaniteit is welhaast dood bij hem: het was een dorre, stijve knaap geworden, die alleen nog belang leek te stellen in zijn vitale lusten: goed eten, goed slapen, rusten.40

Gerard was naast lui nogal een smulpaap. Zijn ouders besloten dit uit te buiten door hem voor zijn eten te laten werken: geen goede cijfers, geen maaltijd. Deze maatregel had onmiddellijk effect. Uit angst om zijn dagelijks ‘nirwana aan eetgenot’ te moeten missen, begon Gerard zijn best te doen op school en mocht hij aan het eind van het jaar over.41 Gerard was wellicht een excentriekeling, maar met zijn verstand was niets mis. ‘Schijndomheid is een aangename afwijking,’ schreef Chorus. ‘En wanneer men na onderzoek van een kind kan verklaren dat het schijndom is, voelt men zich als een schatgraver, die een gelukkige dag heeft.’42 Chorus pleitte ervoor niet te snel te oordelen over de verstandelijke vermogens van de autisten en hun talenten te ‘gebruiken als vliegwiel om de motor der kennis op gang te brengen en te houden’. Op die manier zouden ze uit hun ‘introverte tent’ komen en hun taalbegrip en sociale vaardigheden kunnen verbeteren.43

Overmatige zelfwaardeering

Het werk op het PI vereiste veel improvisatietalent omdat de medewerkers vaak niet wisten wat er precies met de kinderen aan de hand was. Kort nadat in 1938 de observaties van start waren gegaan besloten ze daarom een eigen classificatiesysteem op te stellen. Zo kwam het, om met Ko Kok te spreken, dat in de jaarverslagen van het PI ‘uit een grauw ongedifferentieerde brei van ‘lastige kinderen’ verschillende probleemtypen kristalliseerden’, waaronder de ‘autisten’.44

Om orde in deze brei te scheppen, voldeden bestaande psychiatrische classificaties van kinderen volgens de staf niet: deze waren slechts kopieën van classificaties voor volwassenen en deden daarmee tekort aan de belevingswereld van de kinderen. Ook lag de focus te veel op symptomen en abnormaal gedrag: termen als ‘debiel’, ‘minderwaardigheidscomplex’, ‘bedwateraar’ of ‘onanist’ zeiden niet zo veel over het kind, noch over wat hij of zij qua onderwijs en begeleiding nodig had.

De PI-jaarverslagen zijn een verwarrend kluwen aan groepen, subgroepen en sub-subgroepen. In plaats van hoofdgroepen op te stellen en vervolgens onderverdelingen te maken, beschreef de staf eerst ieder kind op een manier die ‘zooveel mogelijk het wezenlijke van [zijn of haar] moeilijkheid’ aangaf.45 Vervolgens plaatsten ze kinderen met gemeenschappelijke kenmerken in subgroepen met zelfbedachte namen, zoals de ‘vormloozen’, ‘opwellings-naturen’, en ‘argeloozen’. Deze subgroepen brachten ze onder in drie hoofdcategorieën: de ‘milieugevallen’ (verwende, verwaarloosde en mishandelde kinderen), ‘specifiek lichamelijke stoornissen’ en de ‘speciaal gestoorde functies’.

Tot die laatste hoofdcategorie behoorden de ‘waarderingsstoornissen’, in zichzelf gekeerde kinderen met een beperkte emotieregulatie en gebrekkige inschatting van het eigen gedrag. Deze subcategorie bestond uit vijf groepen: de ‘krenkbaren’, ‘scheef-schatters’, ‘gevoelsvlakken’, ‘sensatie-zuchtigen’ en ‘gedrags-schematiseering’. In het jaarverslag van 1938 wist de staf zich duidelijk nog geen raad met deze laatste groep: ‘De grondslag van deze gedrags-schematiseering moet o.i. gezocht worden in een fundamenteele waardeeringsstoornis, maar voorlopig zijn we nog niet in staat uit te maken, waar ten deze de wezenlijke samenhang moet gezocht worden.’ De subcategorie ‘gedrags-schematiseering’ bestond uit de ‘formalisten’, ‘waartoe kinderen hooren met duidelijk “dwangneurotische” en “schizothyme” trekken’, en de ‘zeurders’ of ‘perseveratieven’, ‘die zich kenmerken door hun overmatige perseveratie in hun gedragsvormen’.46

Onder het kopje ‘formalisten’ staat de allereerste Nederlandse beschrijving van het syndroom autisme: ‘(Intelligente) autist met stereotiep gedrag’, de eerder genoemde ‘schijndomme’ Gerard. Ook termen als ‘sterke perseveratie en veranderingsweerstand’, ‘weinig gedragsvariatie’ en ‘overmatig formeele reflexie’ zijn duidelijk herkenbare beschrijvingen van autistische kenmerken.47

Jaarverslag 1938

VIII. Waardeeringsstoornissen
1. Krenkbaren
2. Scheef-schatters
3. Gevoels-vlakken
4. Sensatie-zuchtigen
5. Gedrags-schematiseering
a. Formalisten
            b. Zeurders

Jaarverslag 1939

VIII. Waardeeringsstoornissen
a. Gevoelsvlakken
b. Sensatiezuchtigen
c. Scheefschatters
d. Autisten
            1. Formalisten
            2. Krenkbaren
            3. Zeurders
            4. Onzekeren (angstigen)48

Het jaar daarop herzag de staf de classificatie. De hoofdcategorieën ‘specifiek lichamelijke stoornissen’ en ‘speciaal gestoorde functies’ werden hernoemd tot de ‘constitutionele stoornissen’ en ‘psychologische stoornissen’. Ook verschenen nieuwe termen, zoals de ‘vegetatieven’ en ‘instinctieven’. Een van de grootste herzieningen was de categorie van de ‘waardeeringsstoornissen’. Omdat de stafleden niet gelukkig waren met het label ‘gedrags-schematiseering’, vervingen ze het door een nieuwe categorie: de ‘autisten’, ‘kinderen met overmatige zelfwaardeering’ of ‘overmatig op zichzelf betrokkenen’.49 Deze was onderverdeeld in de krenkbaren (die eerst een aparte categorie vormden), de formalisten, de zeurders, en een nieuwe groep, de ‘onzekeren’ of ‘angstigen’. Door de herziening nam het aantal autisten toe van een tot negentien.

De categorie ‘waarderingsstoornissen’ in het jaarverslag van 1938.
De aantekeningen van Alfons Chorus op het jaarverslag van 1938. De ‘autisten’ vormden het jaar daarop een eigen categorie.50
‘(…) de autisten, kinderen met overmatige zelfwaardeering’. Aanhangsel bij het jaarverslag van 1939.
De categorie ‘autisten’ in het aanhangsel bij het jaarverslag van 1939.

De categorie ‘autisten’ in het jaarverslag van 1939. De (slecht leesbare) tekst:

d. autisten

1. Formalisten (gedragsschematisme en handelingsstarheid)

j. 12;4 Jongen met overmatige formeele reflexie en gebrekkige automatische gedragsregulatie.
j. 8;10 Achterlijke jongen, verwijlend in vitale aandoeningen, met gebrekkige communicatie, behoefte aan precieze vormen en receptief muzikaal talent (Little)
j. 3;3 Achterlijke formalist (spreekt nog niet).
m. 14;11 Van nature intellectualist (gebrek aan sociale waardeering) met overmatige formeel ereflexie en zelfwaardeering (nerveuze constitutie).
j. 4;1 Achterlijke autist met herhaalmechanismen (spreekt nog niet).
m. 10;11 Zwakbegaafd op routine ingesteld kind met geringe gedragsvariaties), oppervlakkige ontvankelijkheid en weinig durf om iets nieuws te ondernemen.

2. Krenkbaren (sthenisch-perseveratieven)

j. 14;2 Krenkbare jongen met groote veranderingsweerstand (met een afweer van gequalificeerd persoonlijke gesprekken met volwassenen).
m. 16;10 Sensibel kind met veranderingsweerstand, bij tijden geneigd tot ontstemdheid.
j. 16;8 Zwakzinnige jongen met goed geheugen en sterke veranderingsweerstand, in de omgang domineerdend [sic], blind voor de gevoelens van andere [sic] (zwak z. autist)
j. 7;5 Gedeprimeerde jongen met groote vasthoudendheid en nerveuze constitutie (enuresis)
j. 10;2 Achterlijke krenkbare jongen met bezonnenheid en groote veranderingsweerstand.

3. Zeurders (asthenische perseveratieven)

j. 2;9 Zwakbegaafde, weekopgevoede, perseveratieve jongen.
m. 3;1 Gedisproportioneerde motorische en intellectueele ontwikkeling (dominantie van het sociale aspect) en veranderingsweerstand na grove verwaarlozing.
j. 13;6 Eenzelvige, zwakke en zwakbegaafde jongen met depressieve gevoelsrichting.
j. 14;7 Debiele, weinig vitale jongen met groote veranderingsweerstand (moreel onbetrouwbaar + bedwateren)
m. 7;5 Zeurend kind met lichamelijke debiliteit (heeft speciale opvoeding ontbeerd).
m. 8;5 Week opgevoed kind met zwakke biotonus, geringe en weinig beweeglijke activiteit en onvoldoende gedifferentieerde waarneming.

4. Onzekeren (angstigen)

j. 5;11 Een onzekere jongen, die zich te zeer afhankelijk en bedreigd weet.
j. 13;10 Jongen met gequalificeerde ervaring van vegetatieve functies (hysterische reflexversterking)

Het was de staf inmiddels duidelijker geworden wat nu precies het kernprobleem van de autistische kinderen was: de ‘overmatige zelfwaardeering’. ‘De overmatige zelfwaardeering is op zichzelf geen verkeerd gerichte waardeering,’ staat er in het jaarverslag. ‘[H]et afwijkende zit in het te uitsluitend vasthouden van een bepaalde richting, waardoor het individu te weinig “naar buiten” gericht is en zijn waardering te zeer op zich zelf betrokken blijft.’51 Alfons Chorus lichtte de termen ‘waarderingsstoornissen’ en ‘zelfwaardeering’ verder toe in zijn artikel ‘Een nieuwe indeling van moeilijke kinderen’ (1942), een gedetailleerde uitleg van de classificatie:

Er is (…) een materieel tekort [bij kinderen met een waarderingsstoornis], dat zich op een of meerdere gebieden doet gelden met als gevolg ook storingen in de structuur [van hun persoonlijkheid] (…). Het materieel tekort uit zich bij allen gemeenschappelijk in een stoornis van die allerbelangrijkste functie van den mens, welke van binnenuit min of meer automatisch zijn gedrag reguleert n.l. het waarderen. (…) Ons handelen wordt min of meer onbewust – en afgezien van alle beginselen, welke we in ons leven bewust zouden aanvaarden – gereguleerd door een waarderen, een schatting, die resulteert in een instinctief en affectief-bepaalde oordeelsvorming. En deze “instinctieve” schatting stuurt ons gedrag automatisch van binnenuit en op de juiste wijze (biologisch gezien) mits de elementaire functies, waarop dit schatten steunt, niet gestoord zijn.52

Wat Chorus hier beschrijft heeft wel wat weg van de theory of mind– en contextblindheidshypothesen: omdat het autistische kinderen ontbrak aan het sociale inschattingsvermogen waar de meeste neurotypici van nature over beschikken, vielen ze uit de toon, met angst en onzekerheid tot gevolg.53 Dit gebrekkige waarde(e)ringsvermogen verklaarde volgens Chorus waarom autisten zich in hun eigen wereldje terugtrokken en behoefte hadden aan vaste routines: op die manier behielden ze enigszins grip op de beangstigende, onvoorspelbare buitenwereld.

Infantiel autisme

Blijkbaar waren de stafleden niet tevreden over de classificatie met de kleurrijke termen. Na 1939 gebruikten ze deze nooit meer, al verwees Chorus er nog wel een keer naar in een artikel in de veelgelezen Katholieke Encylopaedie voor Opvoeding en Onderwijs.54 Doordat de Tweede Wereldoorlog kort daarna uitbrak, was het moeilijk om in Duits- en Engelstalige vakbladen te publiceren over hun observaties van autisten en andere ‘afwijkende’ kinderen, waardoor hun werk internationaal nooit aandacht heeft gekregen.

De staf bleef zich na de oorlog inspannen om hun behandelingstechnieken en classificaties te verfijnen. Vanaf de jaren vijftig begonnen ze bijvoorbeeld meerdere vormen van autisme te onderscheiden, waaronder het ‘intentionaliteits-autisme’, het ‘psychopathische type’, het ‘aphatische type’ en het ‘psychotische type’.55

In die periode kwam in Nederland het wetenschappelijk onderzoek naar autisme van de grond. De Leidse kinderpsychiater Dirk Arnold van Krevelen (1909-1979) publiceerde in 1952 als eerste Europeaan een casestudy van een autistisch kind.56 In ‘Een geval van “Early infantile autism”’ beschreef hij een vierjarig meisje dat sterk leek op de kinderen die Van Krevelens vriend Leo Kanner (1894-1981) had beschreven in zijn pioniersstudie ‘Autistic Disturbances of Affective Contact’ (1943). Het meisje hield niet van aanrakingen en liefkozingen, lachte zelden en hechtte meer aan objecten dan aan mensen. Net als de patiënten van Kanner had ze een verbluffend geheugen en vaste gewoontes die onder geen beding doorbroken mochten worden. Soms herhaalde ze opmerkingen die ze een tijd daarvoor gehoord had (echolalie) en sprak ze over zichzelf in de derde persoon.57

Dirk Arnold van Krevelen

In zijn werk hekelde Van Krevelen het ‘eenzijdige psychicisme’ van sommige kinderpsychiaters, met name van psychoanalytici.58 Kinderpsychiaters dienden volgens hem zowel aan biologische als aan sociaaleconomische factoren aandacht te schenken. Om die reden wees hij ook Kanners suggestie van de hand dat afstandelijke, intellectualistische ouders – en dan met name de moeders – het autisme van hun kind veroorzaakten (de theorie van de zogenaamde ‘ijskastouders’).59 Kanner en zijn volgelingen beseften in de ogen van Van Krevelen niet hoe zwaar ouders het hadden die weinig of geen contact met hun kind konden krijgen. Veel ouders voelden zich sowieso al schuldig omdat ze dachten dat ze tekort waren geschoten in de opvoeding. Deskundigen als Kanner die hen nog eens een trap na gaven maakten het er voor hen allemaal nog erger op.

Het meisje uit Van Krevelens ‘Een geval van “Early infantile autism”’ (1952).60

Van Krevelen was een van de eersten die het werk van Kanner en Asperger met elkaar vergeleek. Hij erkende de gelijkenissen, maar beweerde dat ze twee verschillende verschijnselen hadden beschreven. Kanners vroegkinderlijk autisme was volgens hem een reeks ‘psychotische processen, gekenmerkt door een ontwikkelingsgang’, Aspergers ‘autistische psychopathie’ een ‘statische’ karaktereigenschap van mensen die meer aan het verstand hechtten dan aan emoties.61 De vooruitzichten voor kinderen van het Kanner-type waren ongunstig, schreef Van Krevelen: ‘de pathologie neemt steeds meer de overhand, zozeer zelfs dat ouders vaak gedwongen zijn om hun kind op te laten nemen in een instelling.’62 Autistische psychopaten waren daarentegen wél op te voeden en te onderwijzen.63

De verschillen tussen de Kanner- en Asperger-autisten volgens Van Krevelen.64
Infantiel autisme (1954)

Kort na Van Krevelens casestudy verscheen Infantiel autisme (1954), het eerste Nederlandse boek over autisme. Infantiel autisme bevatte bijdragen van zuster Gaudia, psycholoog Armand Sunier (1912-2001), en de kinderpsychiaters Frits Grewel (1898-1973), L.N.J. (Luuk) Kamp (1913-1995) en J.J. (Jaap) Prick (1919-2013). Uit het bundeltje blijkt hoe verdeeld de experts waren over wat autisme was. De vijf auteurs debatteerden met name over de psychiatrische classificatie van autisme en de invloed die moeders wellicht hadden op het ontstaan van autisme. Bijzonder is ook dat ze ingingen op de verschillen tussen het werk van Kanner en Asperger. Ter vergelijking: in de Engelstalige academische wereld kwam de discussie over de gelijkenissen tussen de beschrijvingen van de twee pioniers pas op gang nadat Aspergers werk eind jaren zeventig werd herontdekt door psychiater Lorna Wing (1928-2014), de architect van het concept van het autismespectrum.

Gaudia beschreef in haar bijdrage de behandeling van autisten die zij toepaste aan het PI. Grewel onderscheidde verschillende typen autisme, waaronder Kanners vroegkinderlijk autisme en Aspergers autistische psychopathie. Ook ging hij in op ‘pseudo-autistische’ verschijnselen die voorkwamen bij kinderen die door hun ouders waren verwaarloosd.65 Sunier borduurde hierop voort. Hij beschreef ‘pseudo-autisme’ in psychoanalytische termen als een door verwaarlozing aangetaste ontwikkeling van het Ik (Ich), ‘een basis, waarop later de zwaarste abnormale karakters kunnen ontstaan’.66

De flaptekst van Infantiel autisme.

Een van de interessantste bijdragen was van psychoanalyticus Luuk Kamp, een belangrijke figuur in de Nederlandse autisme-emancipatie. Kamp was een van de deskundigen die op 15 mei 1973 te gast waren in een uitzending over autisme van Koos Postema’s discussieprogramma Een klein uur U, de eerste keer dat een tv-programma aandacht besteedde aan het nog grotendeels onbekende syndroom. Daarnaast was hij in 1974 betrokken bij de oprichting van het Leo Kannerhuis, de eerste woonvoorziening voor autisten in Nederland.

Kort na de Tweede Wereldoorlog kwam Kamp voor het eerst in aanraking met autisme toen hij een studiereis maakte naar de VS, waar hij stage liep bij de Menninger Foundation, een gerenommeerde psychoanalytische kliniek in Topeka, Kansas. Tijdens zijn verblijf in de VS werkte hij ook enige tijd samen met Leo Kanner in Baltimore.67 Kamp was een aanhanger van de psychoanalyse, maar in tegenstelling tot veel van zijn tijdgenoten geen dogmaticus – hij zei op latere leeftijd zelfs eens dat zijn toepassing van de psychoanalyse in de kinderpsychiatrie ‘een beetje tijdverlies’ was geweest.68

Kamp beschouwde autisme als een ‘ontwikkelingspsychose’ die waarschijnlijk geen verband hield met schizofrenie, een overtuiging die hij deelde met Grewel, Prick en Gaudia.69 Tussen de Kanner- en Asperger-autisten zag hij veel overeenkomsten: ‘De ernst van de aandoening bepaalt, of van psychotisch autisme of van psychopathie gesproken wordt.’70 De twee aandoeningen verschilden in zijn ogen niet zozeer in wezen, maar in gradatie.

Autisme ontstond volgens Kamp door een wisselwerking tussen erfelijke, neurologische en omgevingsfactoren, in het bijzonder de relatie tussen moeder en kind.71 Met zijn genuanceerde stellingname week hij af van het gros van zijn psychoanalytische collega’s, die in het spoor van Kanner ouders de schuld gaven van het autisme van hun kind. Door het gebrek aan kennis over autisme drukte Kamp zich voorzichtig uit. In Kanners suggestie dat ‘ijskastouders’ mede het autisme veroorzaakten zag hij weinig: ouders waren in zijn ervaring ‘lang niet allemaal koel en intellectualistisch’.72 Deskundigen als Kanner die overhaaste conclusies trokken over het ontstaan van autisme praatten volgens Kamp ouders een schuldcomplex aan.73

Het is opmerkelijk dat juist de psychoanalyticus Kamp afstand nam van Kanners ijskastouderverdachtmakingen. Jaap Prick daarentegen sloot zich in zijn bijdrage aan Infantiel autisme aan bij Kanner:

In hun huishoudelijke sfeer [van de ouders van autistische kinderen, NS] treft men veelvuldig een koele zakelijkheid aan. De vaders bekleden vaak een belangrijke maatschappelijke positie en worden daardoor geheel geüsurpeerd. De moeders hebben doorgaans een intelligentie, die boven het gemiddelde ligt, sommige [sic] hadden zelfs een universitaire opleiding genoten. Hun affectief contact met de kinderen was maar al te vaak van weinig diepgang en de moeder-kind verhouding liet nog al eens te wensen over.74

Frits Grewel ging ook mee met de theorie van Kanner, maar vond dat er nog niet voldoende bewijs voor was:

Het is het tekort aan de instinct-aansprekende reacties van moeders of verzorgsters (…) die de autistisch-gekleurde reacties van kleine kinderen verwekt. (…) [M]en moet Kanner toegeven dat de autistische kinderen opvallend vaak ernstig gestoorde moeders hebben; hetzij affectarme, egocentrische vrouwen, hetzij gemaniereerde-onechte, met een pseudo-affect. Doch er zijn ook wat onvolwassen moeders bij, die a.h.w. (nog) niet weten hoe ze zich tot hun kindje moeten wenden. Daartegenover staat dat men talloze normale kinderen ziet van depressieve moeders, van afwijzende schizophrene moeders, en van moeders die tevens een autistisch kind hadden. Moge de moederfiguur dus een grote rol spelen, moge het vaak de intellectualistische figuur zijn die Kanner beschrijft, het is toch nog onzeker hoe groot de betekenis is van deze factor voor het ontstaan van het echte infantiele autisme.75

De big boss

Kanners observaties over gevoelsarme moeders vonden begin jaren vijftig ook ingang op het PI. Psycholoog Piet Calon (1905-1973), die Alfons Chorus in 1945 opvolgde, schreef bijvoorbeeld dat autistische kinderen ‘volkomen hygiënisch als objecten [werden] behandeld [door hun moeder] en niet als personen’.76 Ook zuster Gaudia raakte ervan overtuigd dat een gebrek aan moederlijke warmte een rol speelde bij het ontstaan van autisme. In de vroege jaren vijftig versoepelde zij daarom haar soms nogal strenge opvoedingsmethodes en begon ze de kinderen te vertroetelen, in de hoop hen zo de liefde te kunnen geven die ze in het verleden (zogenaamd) niet hadden gehad. Soms lag Gaudia meer dan een uur lang achter een scherm op de slaapzaal te knuffelen met een kind, tot grote ergernis van de medewerkers van het PI. ‘Daar liggen ze weer te vrijen,’ sneerden sommigen.77 Door deze koerswijziging nam de ontevredenheid over Gaudia toe onder de Zusters van de Choorstraat. De nonnen vonden dat zij de oudere kinderen te veel vrijheid en te weinig godsdienstige leiding gaf. De knuffeltherapie was voor de Zusters een brug te ver, en ze waren al helemaal woedend toen ze erachter kwamen dat Gaudia kinderen niet verplichtte om naar de kerk te gaan.78 Gaudia twijfelde zelf of ze nog wel zo op haar plek was bij de Zusters en op het PI. De strenge kloosterregel viel voor haar moeilijk te rijmen met haar pedagogische werk en intellectuele ambities. Inmiddels had ze ook een uitweg: in 1952 kreeg ze als eerste vrouw ooit een wetenschappelijke aanstelling aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. Daar werkte ze samen met Calon en zijn vriend J.J.G. (Sjef) Prick (1909-1978), de oudere neef van Jaap Prick die sinds 1945 in het bestuur van het PI zat.

Gaudia worstelde met haar positie op een moment dat het PI het financieel steeds zwaarder kreeg. Zoals de Zusters vanaf het begin al voorzagen, was het instituut niet rendabel. Daar kwam nog bij dat na de Tweede Wereldoorlog het aantal intredingen terugliep. Het gebrek aan nieuwe nonnen dwong het PI om reguliere werknemers aan te nemen die in tegenstelling tot de zusters wél salaris kregen.79 Het congregatiebestuur merkte ook dat het werk roofbouw pleegde op de nonnen, die langer op het PI bleven dan lichamelijk en geestelijk verantwoord was.80 De Zusters dreigden zich in 1956 terug te trekken uit het pi, maar vertrokken veertien jaar later pas definitief.

Gaudia was toen al uitgetreden: op 8 oktober 1956 verliet ze het PI. Vanaf dat moment ging ze weer door het leven als Ida Frye, ‘Ied’ voor intimi. In de maanden voor haar uittreding had ze twee secretaresses maandenlang de onderzoeks- en observatieverslagen van de kinderen over laten tikken om ze voor haar wetenschappelijk onderzoek aan de kun te kunnen gebruiken. Aan de kun moest ze wennen aan haar nieuwe omgeving. Studenten stelden haar praktische instelling op prijs, maar sommige collega’s vonden haar op theoretisch vlak tekortschieten. Een van hen noemde haar spottend ‘de juffrouw van het autistische kind’ en vond haar niet geschikt voor wetenschappelijk werk.81

Piet Calon en Sjef Prick twijfelden niet aan haar kunnen en drongen er bij Frye op aan om onder hun supervisie een proefschrift te schrijven over haar werk met autisten aan het PI. Om het bereik van haar werk te vergroten, adviseerden ze haar om in het Duits te schrijven, haar moedertaal. De juffrouw van het autistische kind ging aan het werk en promoveerde in december 1968 cum laude op het vijfhonderd pagina’s dikke Fremde unter uns. Ihre Erziehung, ihr Lebenslauf.82 Dezelfde maand nog verscheen het boek bij uitgeverij Boom, voorzien van een opvallende paars-roze omslag.

Frye’s proefschrift bestaat uit casestudies van zeven autisten die tussen de jaren dertig en vijftig op het PI woonden. Verreweg de langste is de beschrijving van ‘het stenen beeldje’ Siem, die ongeveer een derde van het boek beslaat. Frye beschreef hem zo uitgebreid omdat hij de eerste was bij wie de staf autisme vaststelde en zijn dossier de meeste gegevens bevatte. Ook hield hij jarenlang dagboeken bij, die hij aan Frye ter beschikking stelde voor haar onderzoek toen zij hem opzocht in 1965, eenentwintig jaar na zijn vertrek uit het PI.

De handschriften van de zeven kinderen uit het proefschrift van Ida Frye.83

In haar gevalsbeschrijving liet Frye zien hoe Siem zich door de jaren heen had ontwikkeld. Aanvankelijk was Siem een einzelgänger die niet met de andere kinderen speelde. Toen hij binnenkwam op het PI had hij regelmatig woedeaanvallen en zei hij zelden wat. Na iets meer dan een jaar was hij geacclimatiseerd. De andere kinderen mochten hem graag en de zusters waren dol op hem, zozeer dat ze het soms lastig vonden om zijn gedrag te corrigeren.84 Met sociaal contact had hij aanvankelijk grote moeite, maar langzamerhand werd hij minder agressief en kroop hij uit zijn schulp. Het viel Frye op dat hij een scherp oog had voor detail en meer aandacht kreeg voor andere mensen en hun bezigheden.85 Siem begon langzamerhand ook meer te praten, hoewel zijn taalgebruik eigenaardig bleef: hij sprak vaak in boekentaal en clichés en nam woorden en uitdrukkingen letterlijk.86 Door die letterlijkheid was hij volgens Frye ‘‘eerlijker’ dan de meeste schoolkinderen’. Ze zette ‘eerlijker’ tussen aanhalingstekens, ‘omdat hij zo sterk aan de feiten is gebonden, dat men zich afvraagt of hij in staat is om werkelijk oneerlijk te zijn’.87

In mei 1944 confisqueerde de Wehrmacht de gebouwen van het PI en de Sint Maartenskliniek, waarna het personeel en de kinderen werden geëvacueerd of terugkeerden naar huis. Siem ging in januari 1945 voor het eerst in zijn leven naar een reguliere school en was daar van meet af aan de beste leerling. Na zijn school te hebben afgemaakt, volgde hij een opleiding tot boekhouder en deed hij jarenlang administratief en secretarieel werk.88

In 1965 interviewde Frye de inmiddels drieëndertigjarige Siem voor haar proefschrift. Hij woonde nog steeds bij zijn ouders en werkte als boekhouder bij een drukkerij, tot grote tevredenheid van zijn chef.89 Over het algemeen was hij tevreden en gelukkig, al voelde hij zich soms wel eenzaam. Siem vertrouwde Frye toe dat hij graag een meisje wilde dat hem zou begrijpen en met wie hij een gezinnetje zou kunnen stichten.90 Naast zijn ouders had hij contact met een vriend in Nijmegen en met zijn eerste chef. Zijn vrije tijd besteedde hij aan lezen, dansen, voetballen, tv-kijken en – bij goed weer – rijden op de brommer. Siem had naar eigen zeggen een ‘mooie tijd’ op het PI. Hij biechtte wel op dat hij als klein kind bang was voor Frye, die toen nog zuster Gaudia heette:

Misschien (…) lag het aan de naam ‘zuster Gaudia’… die had bij mij altijd een (…) griezelige [unheimliche]klank. (…) En ook was ik bang dat, als ik iets niet goed zei, u dan streng op zou treden [en] me een oorvijg zou geven. (…) Ik zag u altijd als de ‘big boss’ en ja… de naam [Gaudia] had zo’n dreigende klank… en dat maakt veel uit, nietwaar?91

Afgezien van de angst voor de ‘big boss’ met de enge naam was Siem positief over de opvoeding die hij van de zusters had gekregen. ‘Eigenlijk was alles heel normaal,’ concludeerde hij droogjes.92 Frye constateerde ‘met enorm veel voldoening’ dat Siem na zijn vertrek goed was terechtgekomen.93 Het enige nog duidelijk merkbare autistische gedrag was zijn behoefte aan routine: ‘Veranderingen in zijn omgeving stoorden hem niet meer, maar in het algemeen houdt hij toch bij voorkeur vast aan zijn gebruikelijke gedragswijzen. De hang naar hetzelfde wordt op een hoger niveau toch weer zichtbaar.’94 Siem en Frye hadden het blijkbaar gezellig met elkaar: na afloop van hun gesprek vroeg hij of zij nog eens met hem af wilde spreken, omdat hij zo goed met haar kon praten.95

Siem (links) met zijn zwager, op het huwelijk van zijn zus, 1960.
Carnaval, 1960.
Carnaval, +- 1970.
Wachtend op de rondvaartboot aan het Rokin in Amsterdam, +-1970.

Ook de andere autisten die Frye beschreef waren vooruitgegaan. ‘Vijf van de zeven beschreven autisten kunnen op eigen benen staan,’ schreef ze aan het eind van haar proefschrift. ‘De twee, die hiertoe slechts gedeeltelijk in staat zijn, vertonen nog wel autistische, doch niet identieke, trekken. (…) Opmerkelijk is, dat zij telkens weer blijk geven van ‘bij-rijping’’.96

Naar aanleiding van haar proefschrift gaf Frye een interview aan de Volkskrant. ‘Ik wil het praatje uit de wereld helpen dat autisten zwakzinnig zijn,’ zei ze. ‘Onder deze mensen tref je, zoals bij allerlei groepen, zeer uiteenlopende intelligentieniveaus.’ Een andere ergernis van Frye was ‘het vastgeroeste idee (…) dat mensen met sociale contactstoornissen (…) hopeloze gevallen zijn’.97 In de praktijk merkte ze dat autisten met de nodige begeleiding wel degelijk waren te helpen. Het probleem was echter dat in Nederland nog te weinig kennis over autisme was, laat staan voldoende opvang. Frye hoopte dat haar proefschrift het onderzoek naar autisme zou stimuleren.

Helaas voor Frye werd haar werk zowel nationaal als internationaal nauwelijks besproken.98 Een uitzondering was Dirk van Krevelen, die voor het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde een in azijn gedrenkte recensie schreef. Daarin noemde hij Siem een ‘non-autist’, Frye’s samenvatting van de vakliteratuur over autisme ‘zwak’ en de weergave van zijn eigen werk en dat van Asperger ‘onvolledig’. Frye had hun werk óf niet begrepen, óf er geen rekening mee willen houden, snauwde hij.99 Andere pedagogen, psychiaters en psychologen vonden dat Frye ‘te optimistisch’ was over de vooruitzichten van autisten en geen oog had voor de mogelijke biologische oorzaken van autisme.100

Ida Frye tijdens de uitreiking van het naar haar vernoemde stipendium, Katholieke Universiteit Nijmegen, 1993. © An Stalpers, Fotografica Nijmegen

Erkenning voor haar pionierswerk bleef uit, tot de Katholieke Universiteit Nijmegen in 1990 op het idee kwam om een stipendium voor jonge vrouwelijke promovendi in het leven te roepen en het naar haar vernoemde. Hoewel het nogal curieus was dat de stimuleringsbeurs voor aanstormend talent de naam droeg van iemand die pas op hoge leeftijd was gepromoveerd, kon de inmiddels eenentachtigjarige Frye er wel om lachen. De laatste jaren van haar leven bracht de ‘autistologe’ door in het dorp Malden, in de buurt van Nijmegen, waar ze in 2003 overleed. Ze ligt begraven op het kerkhof van de Zusters van de Choorstraat.

Siems verhaal eindigde in mineur. Zijn familieleden beschrijven hem als een lieve, licht stotterende man, die midden in het leven stond. Hij ging ieder jaar op vakantie met de brommer, zat in het bestuur van de carnavalsvereniging en was steevast van de partij op familiebijeenkomsten. Zijn nichtjes mochten op de kermis altijd wat van hem uitzoeken en kregen regelmatig boekjes van hem cadeau. Twaalf jaar na zijn laatste ontmoeting met Frye constateerde zijn huisarts maagkanker en bleek hij niet te behandelen. Op 18 april 1977 overleed Siem, de eerste autist van Nederland. Hij werd vierenveertig jaar.

Het autismecontinuüm

Frye promoveerde pas op negenenvijftigjarige leeftijd, zes jaar voor haar emeritaat, waardoor haar wetenschappelijke bijdrage aan het universitaire autismeonderzoek beperkt bleef. Meyknecht blikte in een artikel uit 1971 nog een keer terug op zijn werk met autisten aan het PI en ging hetzelfde jaar met pensioen. Chorus ten slotte publiceerde door de jaren heen slechts sporadisch over autisme. Toen hij in 1979 ter gelegenheid van zijn afscheid als hoogleraar een bundel met eigen werk mocht samenstellen, nam hij geen enkel artikel erover op.101

Aan het eind van zijn carrière lanceerde Chorus in zijn artikel ‘Autisme en zwakzinnigheid’ (1976) het begrip ‘autismecontinuüm’, nog vóór Lorna Wing.102 Wing verving ‘autismecontinuüm’ later door ‘autismespectrum’, omdat ‘continuüm’ te zeer een opgaande lijn van zwaar naar mild suggereerde, terwijl zij onder spectrum juist de vele vormen en gradaties van autisme verstond die bij ieder persoon kunnen verschillen.103 Chorus beschreef in 1976 al een soort bètaversie van het autismespectrum:

Bij de sociaal-affectieve functies is het kwalitatieve – het gevoelsleven – zo overheersend, dat “meten” hier nauwelijks zin lijkt te hebben en in elk geval weinig relevants kan openbaren. Toch maakt men op diverse terreinen ook hier van een “meer en minder” gebruik. Men kent de gevoelsrijke en gevoelsarme, de gevoelsvlakke en gevoelsdiepe, de gevoelsmatig geremde en niet geremde en ten slotte de introverte en de extraverte typen. Wanneer men nu aan het introverte einde van het continuüm introvert-extravert denkt, dan zou men zich daar de extreme vormen van autisme kunnen voorstellen. Met dat idee van continuüm hebben we in elk geval één zeer belangrijk gegeven vastgelegd: namelijk, dat autisme zich als een door gradaties gekenmerkt complex voordoet. Er zijn in aanleg gegeven vormen van autisme, die bijna niet door de therapeut of behandelende bereikbaar zijn en er zijn er die makkelijker aanspreekbaar en dus beter tot verdere ontwikkeling te brengen zijn, tot ten slotte diegene die slechts tijdelijk als autisme opvallen en bij goede behandeling op den duur niet of nauwelijks meer bemerkbaar zijn.104

Chorus hoopte met het begrip de ontwikkeling die autisten gedurende hun leven doormaken te kunnen vatten. ‘Men kan (…) rekenen met nog lang in de levensloop mogelijke vormen van narijping,’ schreef hij. ‘Die narijping veronderstelt geen aparte behandeling, maar wel een autist-vriendelijk milieu met ouders en gezinsleden en eventueel medewerkers in de arbeidssituatie, die goed gezind zijn.’105 Autisme was voor hem (net als voor Wing) in de eerste plaats een ontwikkelingsstoornis die op allerlei intelligentieniveaus voor kon komen. Wel waarschuwde hij ervoor om de intelligentie van autisten niet te overschatten, zoals Frye en Asperger in zijn ogen deden.106

De grote waarde van het werk van de PI-pioniers ligt in hun humane waardering en realistische inschatting van de ontwikkelingsmogelijkheden en talenten van autisten. Autisten waren voor hen niet per definitie bovengemiddeld intelligent, en ook geen hopeloze gevallen die veroordeeld waren tot een levenslang verblijf in een zorginstelling of zwakzinnigeninrichting. Op sociaalemotioneel gebied verliep de ontwikkeling van de kinderen van het PI trager dan bij hun neurotypische evenknieën, maar de staf toonde dat de kinderen in de juiste omgeving op hun eigen manier progressie konden maken – ‘stootsgewijs’, om met Frye te spreken.107 In het gunstigste geval zouden ze op die manier wellicht zozeer bijrijpen dat ze gedeeltelijk of volledig zelfstandig konden worden.

Het jongetje Egbert, een van de zeven kinderen die Ida Frye beschreef in haar proefschrift, zag al in dat sommige autisten zich op een ander tempo ontwikkelden dan de neurotypische meerderheid. Dat was voor hem geen reden om autisten te onderschatten of af te schrijven. Aan hem het laatste woord:

De mensen mogen Egbert. Ontwikkelde mensen hebben meer begrip voor hem. Zij zien dan hij zich hoffelijk gedraagt en dat hij zeer veel weet. Hij wil het slechte niet accepteren [en] heeft geen minderwaardigheidsgevoelens. Een jongen zei eens tegen hem: ‘Jij bent zwakzinnig’. Egbert: ‘Nee, alleen wat vertraagd in mijn ontwikkeling.’108

  1. Vgl. Leo Kanners beschrijving van Donald Triplett in ‘Autistic Disturbances of Affective Contact,’ Nervous Child 2.3 (1943), 228: ‘When he had any dealings with persons at all, he treated them, or rather parts of them, as if they were objects. He would use a hand to lead him.’
  2. I.B.M. Frye, Fremde unter uns. Autisten, ihre Erziehung, ihr Lebenslauf (Meppel: Boom, 1968), 37.
  3. Annemieke van Drenth, ‘Rethinking the Origins of Autism: Ida Frye and the Unraveling of Children’s Inner World in the Netherlands in the Late 1930s,’ Journal of the History of the Behavioural Sciences 54.1 (2018), 28.
  4. Frye, Fremde unter uns, 150.
  5. T.P.J. Meyknecht, ‘Historische en klinische gegevens van autistische kinderen op het Paedologisch Instituut te Nijmegen,’ in J. Munnichs, P. Bierkens, Th. Gijsbers en F. Mönks (red.), Persoonlijkheid en ontwikkeling. Bijdragen aan de algemene, de klinische en de ontwikkelingspsychologie, opgedragen aan Professor Dr. P.J.A. Calon (Haarlem: De Toorts, 1971), 214.
  6. Alfons Chorus, ‘Autisme en zwakzinnigheid,’ Tijdschrift voor Zwakzinnigheid en Zwakzinnigenzorg 13.3 (1976), 101.
  7. Verslag over de jaren 1937 en 1938 (Nijmegen: Stichting voor Paedologische Instituten Nijmegen, 1938), 40.
  8. Behalve een korte verwijzing in Adam Feinstein, A History of Autism: Conversations with the Pioneers (Chichester: Wiley-Blackwell, 2010), 7.
  9. Zie voor uitzonderingen Rogier Chorus, Alfons Chorus. Beeld van de mens en psycholoog (Amsterdam: swp, 2019); Marjet Derks en Rob Wolf, Wetenschap in dienstbaarheid. Ida B.M. Frye (1909), heilpedagoge (Nijmegen: Vantilt, 2000); Annemieke van Drenth, ‘Care and Curiosity: Ida Frye and the First Boy with Autism in the 1930s in the Netherlands,’ in Sebastian Barsch, Anne Klein en Peter Verstraeten (reds.), The Imperfect Historian: Disability Histories in Europe (Frankfurt am Main: Peter Lang, 2013), 75-94; Van Drenth, ‘Rethinking the Origins’; Annemieke van Drenth en Mineke van Essen, ‘The Ambiguity of Professing Gender: Women Educationists and New Education in the Netherlands (1890-1940),’ Paedagogica Historica 44.4 (2008): 379-396; Rob Wolf, Het huis op de Berg, 1936-1996 (Nijmegen: De Waarden, 1996).
  10. Derks en Wolf, Wetenschap in dienstbaarheid, 23.
  11. L.J. Rogier, ‘Een kwarteeuw geestelijke en lichamelijke gezondheidszorg,’ in Gedenkboek St. Maartenskliniek en Paedologisch Instituut “St. Joseph” (Ubbergen en Nijmegen: St. Maartenskliniek en Paedologisch Instituut, 1961), 23-24.
  12. Ruud Abma, ‘Architect van de Nijmeegse psychologie. Theo Rutten (1899-1980),’ in Vittorio Busatto, Mineke van Essen en Willem Koops (reds.), Zeven grondleggers van de psychologie (Amsterdam: Bert Bakker, 2016), 27.
  13. Derks en Wolf, Wetenschap in dienstbaarheid, 25.
  14. Wolf, Het huis op de Berg,14.
  15. Derks en Wolf, Wetenschap in dienstbaarheid, 30.
  16. A. Bgl., ‘Tijdgenoten,’ De Tijd, 30 december 1954.
  17. Ibid.
  18. A.J.M. Vossen, ‘De ontwikkeling van het werk op het Paedologisch Instituut,’ in Gedenboek, 185.
  19. J.F.W. Kok, Brieven over opvoeden (Leuven en Apeldoorn: Garant, 1990), 23, 26.
  20. Ibid., 27-28.
  21. Verslag over de jaren 1937 en 1938, 10.
  22. Rogier, ‘Een kwarteeuw,’ 34, 53.
  23. Vossen, ‘De ontwikkeling,’ 185.
  24. Zr. Gaudia, ‘De betekenis van een heilpaedagogische beïnvloedingswijze, gedemonstreerd aan een concreet geval,’ in De betekenis van de ontwikkelingspsychopathie. Verslag van een op 13 juni 1951 door de Katholieke Centrale Vereniging voor Geestelijke Gezondheid gehouden studiedag (Zonder uitgever, 1951), 25.
  25. Frye, Fremde unter uns, 26.
  26. Zr. Gaudia, ‘Behandeling van kinderen met een autistisch toestandsbeeld,’ in F. Grewel, J.J. Prick, A. Sunier, L.N.J. Kamp en Zr. Gaudia, Infantiel autisme (Purmerend: J. Muusses, 1954, 75).
  27. Derks en Wolf, Wetenschap in dienstbaarheid, 44, 31.
  28. Verslag over de jaren 1937 en 1938, 10.
  29. Frye, Fremde unter uns, 135.
  30. Hans Asperger, ‘Die “Autistischen Psychopathen” im Kindesalter,’ Archiv für Psychiatrie und Nervenkrankheiten 117.1 (1944), 103.
  31. Zr. Gaudia, ‘Behandeling van kinderen,’ 83.
  32. Derks en Wolf, Wetenschap in dienstbaarheid, 46.
  33. Alfons Chorus, ‘Schijndomheid. Twee radiolezingen voor den K.R.O.’ (Den Bosch: De R.K. Charitatieve Vereniging voor Geestelijke Volksgezondheid, 1940), 1.
  34. Ibid., 3.
  35. Ibid.
  36. Ibid.
  37. Ibid., 4.
  38. Alfons Chorus, ‘Moeilijke kinderen I, II en III,’Katholieke Gezondheidszorg 10 (1940): 71-73, 154-156, 167-170; ‘Moeilijke kinderen IV, V, VI en VII,’ Katholieke Gezondheidszorg 11 (1940): 5-7, 38-40, 104-109, 157-161.
  39. Chorus, ‘Schijndomheid,’ 4.
  40. Ibid.
  41. Ibid.
  42. Ibid., 6.
  43. Chorus, ‘Autisme en zwakzinnigheid,’ 109-110, 105.
  44. Kok, Brieven over opvoeden, 24.
  45. Verslag over de jaren 1937 en 1938, 34.
  46. Ibid., 37.
  47. Ibid., 40.
  48. Regionaal Archief Nijmegen, 1022 Paedologisch Instituut St. Joseph te Nijmegen/Ubbergen, 1931-1996, 1 Stukken van algemene aard, 1.1. Op bestuurlijk niveau, inventarisnummer 33: Jaarverslagen van het Paedologisch Instituut en het Medisch Opvoedkundig Bureau.
  49. Jaarverslag 1939 (Nijmegen: Paedologisch Instituut St. Joseph, 1941), 4.
  50. Uit het archief van de familie Chorus, afgedrukt met toestemming van Rogier Chorus.
  51. Ibid., 5.
  52. Alfons Chorus, ‘Een nieuwe indeling van moeilijke kinderen,’ Psychiatrische en Neurologische Bladen 45.3 (1942), 184-185.
  53. Uta Frith, Autism: Explaining the Enigma, tweede editie (Londen: Blackwell, 2003);Peter Vermeulen, Autisme als contextblindheid (Berchem/Leuven: epo/Acco, 2019).
  54. Alfons Chorus, ‘Afwijkende kinderen,’ in Katholieke encyclopaedie voor opvoeding en onderwijs, deel 1, red. Vic D’Espallier (Den Haag: Pax, 1950), 70-79. Chorus voerde in dit lemma een kleine wijziging door: hij introduceerde de kop ‘geldingszuchtigen’, die hij onderverdeelde in de ‘actief-geldingszuchtigen’ en ‘krenkbaren’. De categorieën van de formalisten, zeurders en onzekeren handhaafde hij. Ibid. 75-76.
  55. Vossen, ‘De ontwikkeling,’ 188.
  56. In de jaren daarna volgden Erich Stern, ‘À propos d’un cas d’autisme chez un jeune enfant,’ Archives françaises de pédiatrie 9 (1952): 157-164; Erich Stern en M. Schachter, ‘Zur Problem des frühkindlichen Autismus,’ Praxis der Kinderpsychologie und Kinderpsychiatrie 2.5-6 (1953): 113-119; A.M. Plenter, ‘De ziekte van Kanner,’ Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 99.I.6 (1955): 428-434.
  57. D.A. van Krevelen, ‘Een geval van “Early infantile autism”,’ Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 96.1.4. (1952), 202-206. Van Krevelen verwees ook naar het meisje in zijn Neerlands leerboek der speciële kinderpsychiatrie. Deel I: Stoornissen van het verstandelijke rendement (Leiden: Stenfert Kroese, 1952), 177.
  58. D.A. van Krevelen, Mogelijkheden en onmogelijkheden van de kinderpsychiatrie (Leiden: Stenfert Kroese, 1957),7.
  59. Leo Kanner, ‘Problems of Nosology and Psychodynamics of Early Infantile Autism,’ American Journal of Orthopsychiatry 19.3 (1949): 416-426; ‘Medicine: Frosted Children,’ Time Magazine, 26 april 1948.
  60. Van Krevelen, Neerlands leerboek, 174.
  61. D.A. van Krevelen, ‘Early Infantile Autism and Autistic Psychopathy,’ Journal of Autism and Childhood Schizophrenia 1.1. (1971), 83. Zie ook D.A. van Krevelen, ‘Zur Problematik des Autismus,’ Praxis der Kinderpsychologie und Kinderpsychiatrie 7.4 (1958): 87-93.
  62. D.A. van Krevelen, ‘On the Relationship Between Early Infantile Autism and Autistic Psychopathology,’ Acta Paedopsychiatrica 30, 304.
  63. D.A. van Krevelen en C. Kuipers, ‘The Psychopathology of Autistic Psychopathy,’ Acta Paedopsychiatrica 29 (1962), 20. Huisarts Reinier Vedder (1907-2000) sloot zich aan bij Van Krevelen. Aan de tweede druk van zijn Kinderen met leer- en gedragsmoeilijkheden (1958/1959) voegde hij een hoofdstuk toe over ‘het autistische kind’, waarin hij het werk van Kanner en Asperger vergeleek. ‘De prognose van de “autisten van Asperger” is veel gunstiger dan die voor de “autisten van Kanner”,’ schreef hij. ‘Door deze twee ziektebeelden niet uit elkaar te houden, maar door in beide gevallen van “autisten” te spreken, wordt een grote verwarring gesticht (…)’. Autisten van het Kanner-type zouden volgens Vedder het best gedijen in een inrichting. Reinier Vedder, Kinderen met leer- en gedragsmoeilijkheden, tweede editie(Groningen: J.B. Wolters, 1962), 136, 156.
  64. Van Krevelen, ‘Early Infantile Autism and Autistic Psychopathy,’ 84.
  65. F. Grewel, ‘Over verschillende typen van infantiel autisme en over pseudo-autistische kinderen,’ in Infantiel autisme, 20-33.
  66. A. Sunier, ‘Pseudo-autisme door vroege verwaarlozing,’ in ibid., 50.
  67. Inge P. Spruit, Van wie zijn de kinderen? De passie en compassie van Sjef Teuns, strijdbare kinderpsychiater (Nijmegen: Valkhof Pers, 2009), 67.
  68. Timo Bolt en Leonie de Goei, Kinderen van hun tijd. Zestig jaar kinder- en jeugdpsychiatrie in Nederland, 1948-2008 (Assen: Van Gorcum, 2008), 50.
  69. L.N.J. Kamp, ‘Over psychotische toestanden bij kinderen,’ in Infantiel autisme,63; vgl. F. Grewel, ‘Probleemstelling,’ in ibid., 7; J.J. Prick, ‘Het autistische kind,’ in ibid., 16; Frye, Fremde unter uns, 9.
  70. Kamp, ‘Over psychotische toestanden bij kinderen,’ 63. Vgl. L.N.J. Kamp, ‘Les psychoses chez l’enfant,’ Acta Neurologica et Psychiatrica Belgica 53 (1954), 325: ‘Ce groupe [de Kanner-autisten, NS] correspond en grande partie aux psychopathes autistiques de Asperger (…), étant bien entendu que le degré de l’affection détermine s’il s’agit d’autisme psychotique ou de psychopathie.’
  71. Th. Hart de Ruyter en L.N.J. Kamp, Hoofdlijnen van de kinderpsychiatrie (Deventer: Van Loghum Slaterus, 1972), 210.
  72. Ibid., 214.
  73. L.N.J. Kamp, Kinderpsychiatrie en geneeskunde. Openbare les gehouden aan de Rijks-Universiteit te Utrecht op 15 mei 1950 (Leiden: Stenfert Kroese, 1950), 7.
  74. Prick, ‘Het autistische kind,’ 15-16. Pricks neef Sjef was nog veel stelliger: ‘In (…) an autistogenic environment there reign[s] a climate of mental coldness and frigidity, matter-of-factness, formalism and perfectionism, of a too exclusively mental approach to the child’s education; indeed, one may speak here of ‘inhumanity’, even if such an attitude is intended by the parents as a fully-human one. The parents as it were regard their child as an object for observation.’ J.J.G. Prick, Infantile Autistic Behaviour and Experience: A New Clinical Picture (Rotterdam: Rotterdam University Press, 1971), 46.
  75. F. Grewel, ‘Over verschillende typen van infantiel autisme en over pseudo-autistische kinderen,’ 26-27.
  76. Wolf, Het huis op de Berg, 41-42.
  77. Derks en Wolf, Wetenschap in dienstbaarheid, 54.
  78. Ibid., 49.
  79. Rogier, ‘Een kwarteeuw geestelijke en lichamelijke gezondheidszorg,’ 71.
  80. Ibid., 72.
  81. Derks en Wolf, Wetenschap in dienstbaarheid, 63.
  82. Daarmee was ze de tweede die in Nederland op autisme promoveerde. Alleen Sjef Pricks Amerikaanse promovendus Richard Ralph Straub ging haar voor. R.R. Straub, A View of the Levels of Perceptual Development in Autistic Syndromes (Nijmegen: Katholieke Universiteit Nijmegen, 1964).
  83. Frye, Fremde unter uns, 25.
  84. Van Drenth, ‘Care and Curiosity,’ 88.
  85. Frye, Fremde unter uns, 78, 93.
  86. Ibid., 119.
  87. Ibid., 137.
  88. Ibid., 151.
  89. Ibid., 174.
  90. Ibid., 179.
  91. Ibid., 181.
  92. Ibid., 182.
  93. Derks en Wolf, Wetenschap in dienstbaarheid, 64.
  94. Frye, Fremde unter uns, 176.
  95. Ibid.
  96. Ibid., 464.
  97. Marjan Morselt, ‘Autisten worden vaak verkeerd beoordeeld,’ de Volkskrant, 12 december 1968.
  98. Van Drenth, ‘Care and Curiosity,’ 94.
  99. D.A. van Krevelen, ‘I.B.M. Frye, Fremde unter uns. Autisten, ihre Erziehung, ihr Lebenslauf,’ Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 114.38 (1970), 1591.
  100. Derks en Wolf, Wetenschap in dienstbaarheid, 65.
  101. Chorus, Alfons Chorus, 178.
  102. Lorna Wing en Judith Gould, ‘Severe Impairments of Social Interaction and Associated Abnormalities in Children: Epidemiology and Classification,’ Journal of Autism and Developmental Disorders 9.1 (1979), 26; Lorna Wing, ‘Asperger’s Syndrome: A Clinical Account,’ Psychological Medicine 11.1 (1981), 120, 121.
  103. ‘[T]he term continuum represents a concept of considerable complexity, rather than simply a straight line from severe to mild.’ Lorna Wing, ‘The Continuum of Autistic Characteristics,’ in Diagnosis and Assessment in Autism, reds. Eric Schopler en Gary Mesibov (New York: Springer Science+Business Media, 1988), 92.
  104. Chorus, ‘Autisme en zwakzinnigheid,’ 104.
  105. Ibid., 113.
  106. Ibid., 108.
  107. Frye, Fremde unter uns, 56.
  108. Ibid., 330.